Work Text:
Ash Lynx
1983 – New York
“Sa-yo-na-ra,” Ash probeert de klanken die Eiji zonet heeft geproduceerd zo goed mogelijk na te bootsen. Hij had nooit gedacht aan Japans leren, maar hier zit hij nu aan tafel in een afgelegen gebouw, te luisteren naar Eiji die de woorden met zo’n gemak en zelfvertrouwen uitspreekt. Het is een kant van hem die hij nog niet zo vaak gezien heeft.
“Ja, dat kwam al aardig in de buurt.” Ash is er zeker van dat het lang niet zo goed klinkt en hij heeft waarschijnlijk een zwaar Amerikaans accent, maar Eiji is een zachtaardige leerkracht.
Ash voelt dat hij verlangt naar de goedkeuring van de Japanse jongen, dus hij probeert het nog een keer: “Sa-yo-na-ra,” hij kijkt Eiji opnieuw aan opzoek naar diezelfde prijzig, maar zijn gezicht staat paniekerig.
“Ash!” Eiji springt recht om hem opzij te duwen, voor datgene wat de paniek in zijn ogen veroorzaakt heeft. Meteen staan al Ash’ zintuigen op scherp. Dit kan niets goed betekenen. Zijn gevoel wordt meteen bevestigt wanneer een rode vlek zich met een luide knal over Eiji’s roze shirt verspreidt.
Onmiddellijk grijpt Ash naar het geweer dat in zijn achterzak zit en hij draait zich om naar hun aanvaller, die ondertussen alweer door de deuropening verdwijnt. Vliegensvlug zet hij de achtervolging in terwijl hij de beveiliging van zijn geweer afzet. De aanvaller is nog niet ver geraakt wanneer Ash de trigger overhaalt en een knal door de gangen laat galmen.
De kogel raakt de aanvaller in de schouder, waardoor hij heel even struikelt, maar hij blijft verderlopen. Ash schiet opnieuw. Deze keer raakt hij het onderbeen van de aanvaller, waardoor hij nu helemaal op de grond valt. Hij schiet opnieuw, recht in zijn buik. Hij schiet opnieuw, en opnieuw en opnieuw en opnieuw, tot hij niet eens meer registreert waar hij de vreemde man raakt.
Hij blijft schieten tot hij zeker is dat de man dood is en zelfs daarna nog, tot iemand het geweer uit zijn handen slaat. Zijn gedachten staan op scherp, en hij draait zijn aandacht onmiddellijk naar de nieuwe aanvaller, maar een stevige hand houdt zijn pols vast.
“Ash! Stop ermee!” Meteen staakt hij zijn aanval, maar de woede blijft in zijn lichaam borrelen. Dit is geen nieuwe aanvaller, maar een van zijn vrienden uit de bende.
Hij slaat de hand die hem vasthoudt woest weg: “Hij heeft Eiji neergeschoten.” Zijn hele leven is hij al woedend geweest op de wereld rond hem, op de oneerlijkheid en op de mensen die zijn leven hebben verpest. Maar nog nooit was hij zo woedend als nu. Eiji is een onschuldige Japanse jongen, die voor een werkstudie naar Amerika is gekomen. Hij heeft helemaal niets te maken met deze puinhoop. Hij hoort hier niet thuis, dat heeft Ash altijd al geweten, maar nu wordt hij met zijn neus in de feiten gedrukt.
“Ash je hebt gelijk,” hij kijkt zijn vriend aan, “hij heeft Eiji neergeschoten, maar wat is het beste: honderd keer schieten op een lijk dat al lang dood is of gaan kijken of hij in orde is?”
Hij wil niet toegeven dat zijn vriend gelijk heeft, maar zijn voeten draaien hem al om voor hij het doorheeft. Hij snelt opnieuw om de hoek en ziet Eiji op de grond liggen met enkele ander bendeleden die zijn wonde zo goed mogelijk proberen te bedekken met handdoeken die ondertussen al helemaal rood zien van het bloed.
Hij valt verslagen op de grond neer naast de beste vriend die hij ooit gehad heeft. Hij heeft nog nooit zoveel voor een persoon gevoeld, omdat hij al vroeg geleerd heeft dat je niet te aanhankelijk moet worden aan anderen wanneer je het leven van een bendeleider leidt. Maar toch heeft Eiji zich een weg naar zijn hart gebaand en nu ligt hij bloedend en buiten bewustzijn voor hem op de grond. Dit kan niet het einde zijn, dat mag niet.
“Bel een ambulance.” Hij weet dat het een gevaarlijke zet is om hun schuilplaats vrij te geven aan een overheidsinstantie, maar ze kunnen niet anders. En ze moeten toch op zoek naar een nieuwe plek omdat de aanvaller hen hier al gevonden had.
***
Terwijl ze op de loeiende sirenes van de ambulance wachten, probeert Ash zijn gevoelens onder controle te houden. Ze wervelen in hem rond zoals ze nog nooit gedaan hebben. Hij heeft nooit achteromgekeken in zijn hele leven. Nooit. Hij was nooit het type dat bleef zitten op het verleden of alles bleef overdenken. Hij kon niet anders, hij moest vooruitgaan om te overleven, want het leven op straat en in de bende was hard.
Hij heeft nooit achteromgekeken, niet wanneer hij als kind zijn mishandelaar neerschoot, niet wanneer zijn ouders voor zijn neus vermoord werden, niet wanneer Skipper omkwam omdat hij met Ash betrokken was, zelfs niet wanneer hij Shorter zelf neerschoot om hem van zijn lijden van Banana fish te verlossen. Hij had naar zijn lichaam gezocht, maar hij moest verder, hij kan niet blijven zitten op het verleden, want dat kan je dood betekenen.
Dit weet hij, dit weet hij verdomd goed en toch kan hij niet anders dan wanhopig de loeiende ambulance nakijken waarin Eiji weggevoerd wordt. Dit is zijn fout. Eiji beschermde hem. Hij moet hier weg. Hij moet hier weg, hij moet weten dat Eiji oké is. Hij moet terug, hij moet…
Een behendige hand raakt hem net op de verkeerde plek in zijn nek en hij voelt zijn bewustzijn wegzakken. Hij vecht ertegen, want hij moet weten dat Eiji oké is. Maar al snel wordt alles zwart voor zijn ogen en begeven zijn knieën het onder het gewicht van de rest van zijn lichaam. Hij moet naar Eiji… Eiji… alsjeblieft…
***
Langa Hasegawa
2000 – Okinawa
Langa wordt midden in de nacht schreeuwend wakker. Zijn adem is gehaast en hij kijkt schichtig rond tot hij de omtrekken van zijn eigen kamer herkent. Hij probeert zich te herinneren waar hij van wakker geworden is, maar de details van zijn nachtmerrie glippen langzaam maar zeker weg. Het enige wat hij zich nog kan herinneren is een jongen met blond haar en een met zwart haar en een einde met veel bloed.
De deur van zijn kamer vliegt open en Langa kan nog net een tweede kreet onderdrukken, voor hij zich te pletter schaamt voor zijn moeder die net binnengekomen is. “Langa, wat is er aan de hand?” Hij zucht en probeert zijn ademhaling weer onder controle te krijgen zodat zijn stem hopelijk niet meer bibbert als hij antwoordt.
“Gewoon een nachtmerrie, mam. Sorry dat ik je heb wakker gemaakt.” De matras zakt naar beneden als ze naast hem komt zitten en teder over zijn haar wrijft.
“Geen probleem, jongen, we hebben allemaal wel eens nachtmerries. Wil je er over praten? Of zal ik een kop thee voor je gaan maken?” Langa schudt zijn hoofd en ze blijven een tijdje in stilte zitten. In zijn hoofd malen verschillende vragen rond, maar hij wil er niet over praten omdat het gewoon belachelijk klinkt. Hij droomt nu al enkele nachten over dezelfde twee mensen die hij niet kent. Wie zijn die mensen? Waarom voelt hij zich zo aangetrokken en verbonden met hen?
Na een tijdje kust zijn moeder hem zachtjes op zijn voorhoofd en ze maakt aanstalten om recht te staan. Zijn hand beweegt zonder dat hij het beseft en grijpt de hare vast. “Ja, Langa?” ze kijkt hem vragend aan.
“Kan je me vasthouden.” Hij zou zich hiervoor moeten schamen; hij is geen kind meer. Maar toch, hij wil voelen dat dit allemaal echt is, dat zijn moeder echt is, dat hij zelf echt is, dat hij leeft. Zijn moeder neemt hem zonder iets te zeggen in haar armen en hij voelt zich eindelijk terug ontspannen. Ze gaat naast hem liggen aait hem zachtjes over zijn hoofd.
“Doe je ogen dicht, ik zal hier blijven tot je terug in slaap valt.” Hij gehoorzaamt haar, sluit zijn ogen en soest dichter tegen haar aan.
“Dankje.”
“Altijd.”
Het duurt niet lang voor hij zijn oogleden terug zwaar voelt worden en hij terug in slaap valt.
***
“Perfect! Je bent net op tijd!” Zijn vrienden klinken opgelucht, maar Langa is doodmoe. Hij is die ochtend voor de tweede keer die nacht wakker geworden van dezelfde nachtmerrie. Hij heeft heel de dag als een zombie door school gelopen en hij vindt het een wonder dat niemand er ook maar iets van heeft gezegd of hem zelfs raar heeft aangekeken. Misschien voelt hij zich veel slechter dan hij eruitziet? Als gevolg van zijn vermoeidheid heeft hij moeten lopen om op tijd bij zijn finalewedstrijd tegen Adam te geraken, maar hij heeft het gelukkig op het nippertje gehaald.
Reki klopt hem vriendschappelijk en opgelucht op de rug, maar hij deinst onbewust weg. Zijn slaaptekort heeft ervoor gezorgd dat zijn sociale batterij nog veel sneller leeg is dan anders. Hij vindt het heel leuk om bij Reki en zijn andere vrienden te zijn, maar op dit moment wil hij alleen maar slapen.
“Waarom ben je zo zenuwachtig? Je bent nooit zenuwachtig.” Vraagt Reki en Langa kan de bezorgdheid zien glinsteren in zijn goudbruine ogen. De overgang van de okerkleurige binnen cirkel naar de donkerder bruine buitenkant is oneven en zit vol onregelmatige vlekjes, maar dat maakt ze net zo mooi en interessant, veel meer dan zijn eigen saaie blauwe ogen.
“Ik ben niet nerveus. Waarom denk je dat ik nerveus ben?” Zijn stem piept een octaaf hoger dan normaal en Langa weet meteen dat hij door de mand gevallen is. Hij is nerveus. De droom speelt zich keer op keer opnieuw af in zijn hoofd en hij weet niet waarom hij zich er zo aangedaan door voelt of waarom hij zich er zo verbonden mee voelt. Hij kent die mensen niet eens. Hij heeft nooit erg geloofd in een lot dat je leven voor je bepaald, maar nu heeft hij het gevoel dat het universum hem iets wil vertellen via deze droom. Hij weet alleen niet wat.
“Ten eerste je stem, je kan niet stil blijven staan en je blijft maar om je heen kijken alsof je elk moment aangevallen kan worden door een gevaarlijk beest. Wat is er aan de hand Langa?” Hij is verbaasd hoeveel Reki opmerkt aan zijn lichaamstaal en heel even voelt hij zich warm vanbinnen. Hij is zo blij dat ze vrienden zijn geworden na hun eerste ontmoeting op school en Langa hoopt nu dat er misschien nog meer in zit dan vriendschap.
“Langa? Yoohoo?” Reki zwaait zijn hand voor zijn gezicht om zijn aandacht te trekken en Langa schrikt op. De twee bezorgde goudbruine ogen kijken hem nog steeds onderzoekend aan en Langa zucht.
“Ik ben oké. Er is niets aan de hand.”
“Waarom geloof ik je niet?” Reki zet zijn handen op zijn heupen zoals een berispende moeder en een klein glimlachje speelt op Langa’s lippen. Het is best schattig, maar dat zou hij nooit toegeven. “Langa, zeg me gewoon wat er aan de hand is! Ik wil helpen.” Reki blijft aandringen en de glimlacht verdwijnt opnieuw van Langa’s gezicht.
“Je zou me niet geloven als ik het je vertelde,” zegt hij terwijl hij zich omdraait om met zijn skateboard naar de starlijn te gaan.
“Hoe kun je dat nu weten? Je vertelt me niets!” Hij voelt Reki’s frustraties van hem afstromen. Hij is een openboek en een heel emotioneel iemand, in tegenstelling tot hijzelf. Maar veel tijd om erover na te denken of spijt te hebben van zijn misschien bruuske woorden, heeft hij niet, want de race gaat beginnen.
***
De race is voorbij voor hij het weet. Alles lijkt door elkaar te lopen en hij kan zich bijna niets van het parcours herinneren. Het enige wat hij zich herinnert is de stem van zijn vader die hem moed inspreekt. Zijn vader is al enkele jaren overleden, maar af en toe wanneer hij het moeilijk heeft lijkt hij hem nog steeds te horen alsof hij er nog steeds is. Het was een nek aan nek race tot het bittere einde, maar wanneer hij over de finish komt weet hij gewoon dat hij gewonnen heeft. Hij voelt het in zijn hele lichaam. Door alle euforie kan hij eindelijk al de rest even vergeten: de vreemde dromen, zijn discussie met Reki voor de race begon.
Zijn roodharige vriend staat hem al op te wachten achter de finishlijn en in een opwelling van euforie en geluk springt hij van zijn skateboard recht in zijn armen. “Ik heb het gedaan!” Ze vallen allebei achterover op de grond en Langa kan een lach niet onderdrukken. Dit is wat hij nodig had. Dit had hij nodig om zich terug beter te voelen. Dit is zijn wondermiddel. Hij komt een beetje overeind om Reki aan te kijken en zijn overwinning te vieren, maar die kijkt hem niet aan en lacht niet. Langa’s lach sterft ook weg. ‘Heb ik hem pijn gedaan terwijl ik op hem sprong?’ denkt hij terwijl hij zijn beste vriend onderzoekt op verwondingen, maar hij kan er geen ontdekken. “Reki…” hij wil vragen wat er aan de hand is, maar hij krijgt al antwoord voor zijn vraag helemaal af is.
“Je bent echt een idioot!” Fluistert hij verstikt, waarna hij Langa van zich afduwt, overeind kruipt en wegloopt.
“Reki? Wat…? zijn stem sterft weg terwijl hij Reki in de verte ziet verdwijnen en hem verdwaast achterlaat. Hij voelt hoe hij overeind getrokken wordt en hoe verschillende handen hem op de schouders kloppen. Hij hoort felicitaties rond zijn hoofd dwalen, maar ze lijken niet door te dringen tot zijn oren of zijn hersenen. Hij kijkt als verdoofd, naar de plek waar Reki verdwenen is.
Ze hebben nog maar een keer ruzie gehad en ook toen had Reki zich volledig afgesloten van hem. Hij wil dat niet opnieuw. Hij moet iets doen, maar wat? Wat kan hij doen als hij niet eens weet wat hij verkeerd gedaan heeft?
Een sterke hand op zijn schouder schudt hem zachtjes uit zijn verdwaasde toestand en de rest van zijn vrienden staan rond hem verzamelt, terwijl de rest van de toeschouwers in kleine groepjes het terrein verlaten om geen aandacht van de politie te trekken. “Ga hem zoeken. Hij heeft je nodig,” zegt Cherry Blossom terwijl hij hem doordringend aankijkt.
“Ik geef het niet graag toe, maar hij heeft gelijk,” voegt Joe toe, wat hem een zelfvoldane grijns oplevert van Cherry.
“Ik geef het ook niet graag toe, maar Reki heeft ook gelijk: je bent een Idioot Langa,” zegt Miya met een diepe zucht.
“Wat heb ik…” Langa is zo verward, iedereen lijkt te weten wat er aan de hand is, maar hij heeft geen idee.
“Ga gewoon naar hem toe.” De kleinere jongen duwt hem vooruit, om hem in gang te krijgen. Langa draait zich nog een keer om, maar zijn vrienden wuiven hem allemaal weg, dus hij draait zich terug naar voor om Reki te zoeken en uit te vinden wat er aan de hand is.
***
Na een tijdje zoeken vindt hij Reki eindelijk op een klein verlaten skatepark. Hij maakt net een sprong en vlieg door de lucht terwijl de maan achter hem de hemel verlicht. Hij herinnert zich hoe de roodharige zijn eigen kunnen telkens weer wegpraat alsof het niets bijzonder is, maar wanneer Langa hem nu ziet, weet hij dat hijzelf niet eens beseft hoe goed hij wel is. Hij lijkt te zweven door de lucht terwijl zijn skateboard omdraait en hij land weer op de grond zonder de nachtelijke rust te veel te verstoren.
Wanneer Reki zich omdraait om opnieuw een sprong te maken, vangen zijn ogen die van Langa. Hun oogcontact wordt bijna meteen weer onderbroken, omdat Reki zich wegdraait en aanstalten maakt om weg te gaan. “Reki! Wacht!” Zo snel als hij kan loopt hij naar zijn vriend toe en grijpt hij zijn arm vast om hem tegen te houden.
“Laat me gerust!” Reki’s stem slaat over van emotie en hij slaat Langa’s arm bruusk weg.
“Reki, wat heb ik verkeerd gedaan?” Vraagt Langa voorzichtig, bang om de situatie nog erger te maken. Herinneringen aan hun eerste ruzie overspoelen hem en maken het moeilijk om helder na te denken.
“Je weet het niet eens…” alle kracht is verdwenen uit Reki’s stem, maar op een of andere manier klinkt dat nog erger. De stille woede verteert Langa van binnenuit en de tranen die de goudbruine ogen doen glinsteren in het maanlicht breken zijn hart. Hij heft zijn hand op om ze weg te vegen samen met al het verdriet, maar hij houdt zichzelf tegen.
“Sorry…” hij weet niet wat hij anders moet zeggen, hij voelt zich zo verloren. Hij wil zo veel zeggen, maar hij vindt er de juiste woorden niet voor.
Onverwachts zet Reki een stap dichter naar hem toe, maar hij blijft koppig zijn blik ontwijken. Hij zet een tweede stap naar hem toe tot hij vlak voor hem staat. “Alsjeblieft!”Reki slaat met zijn vuist op Langa’s borstkas, maar er zit weinig kracht achter de slag. “Doe dat alsjeblieft nooit meer!” Het breken van zijn stem doet Langa meer pijn dan de effectieve slag die opnieuw op zijn borstkas terecht komt. Wat heeft Reki zo van streek gebracht? Wat heeft hij gedaan dat hem zo aangedaan heeft? “Waarom breng je jezelf toch altijd in gevaar?” Zijn stem is niet meer dan een fluistering dus het duurt even voor Langa begrijpt wat de andere bedoelt: zijn val van de klif.
“Wat bedoel je?” hij begrijpt dan wel waar Reki het over heeft, maar er zijn nog steeds zoveel vraagtekens. “Dit is de eerste keer dat ik zo’n accident had. Ik ben altijd heel veilig geweest. En ik ben nu ook nog hier. Er is niets ernstig gebeurd.” Langa neemt Reki’s handen in de zijne en legt deze over zijn borstkas zodat de roodharige jongen zijn hartslag kan voelen.
Reki blijft een tijdje stil met zijn ogen dicht alsof hij zich concentreert om zijn hartslag en zijn ademhaling effectief te voelen. Dan laat hij zijn hoofd vermoeid tegen Langa vallen. “Sorry.” Zijn stem is gedempt omdat hij tegen zijn borstkas praat, maar Lang slaat zijn armen om hem heen in een omhelzing. Zijn ene hand wrijft zachtjes over Reki’s rug terwijl de andere met zijn rode lokken speelt. Hij weerstaat de drang om een kusje in de rode haren te planten en haalt in plaats daarvan een keer diep adem.
“Wil je erover praten?” vraagt Langa voorzichtig. Hij weet dat hij geen uitleg mag verwachten na hun korte gesprek voor de wedstrijd, maar hij begrijpt nu wat Reki wilde bereiken. Als hij een kans heeft om zijn vriend te helpen, zal hij alles doen wat hij kan. Hij wil hem niet meer verdrietig zien.
Reki maakt zich langzaam los van de grotere jongen en ze gaan samen op zijn skateboard zitten. Reki begint hen zachtjes heen en weer te rollen alsof hij nerveus is, maar Langa geniet wel van de deinende bewegingen.
“Ik heb al enkele nachten dezelfde nachtmerrie en ze blijft constant in mijn hoofd rondspoken,” begint Reki uiteindelijk en Langa’s adem stopt even door de herkenning. “Het gaat altijd over dezelfde twee mensen, die ik niet eens ken, en op het einde sterven ze een vreselijke dood. Maar om een of andere reden voel ik me heel verbonden met deze mensen en ik word altijd zwetend wakker alsof ik zelf opgejaagd ben. Ik heb geen idee wat het betekent of wat er aan de hand is, maar toen ik je tijdens de wedstrijd zag vallen, had ik een soort flashback of zo. Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik was zo bang dat ik je zou kwijtraken.” Een eenzame traan rolt over Reki’s wangen en Langa veegt hem voorzichtig weg met zijn duim.
“Ik moet iets bekennen,” zegt hij met een groeiend schuldgevoel.
“Wat is het?”
“Ik heb de laatste nachten ook steeds dezelfde nachtmerries over twee mensen, die ik niet ken.” Reki kijkt hem geïnteresseerd aan en geeft hem ruimte om verder te vertellen. “Ze zijn nog niet dood gegaan, maar ze komen er wel elke nacht dichterbij. Het voelt bijna alsof ik zelf vermoord ga worden.”
“Denk je dat het dezelfde mensen zijn?” vraagt Reki nieuwsgierig.
“Het is een Aziatische jongen met zwart haar en…” begint Langa,
“… en een blanke jongen met blonde haren…” maakt Reki zijn zin af. Ze kijken elkaar aan. Ze hebben elkaars nachtmerrie niet gezien en ze hebben er ook niet heel veel informatie over, maar toch weten ze instinctief dat het over dezelfde mensen gaat. Toch weten ze instinctief dat ze allebei op een of andere manier verbonden zijn met deze mysterieuze jongens.
Reki zucht en laat zijn hoofd tegen Langa’s schouder vallen. “Wat betekent dit? Wat moeten we hier mee doen?” zijn stem klinkt veel te vermoeid voor een tiener.
“Ik weet het niet.” Langa legt zijn arm langzaam rond de roodharige jongen en laat zijn hoofd op dat van hem rusten.
“Ik wil gewoon nog eens een nacht goed kunnen slapen.”
“We vinden er wel iets op.” Langa raapt zijn moed bij elkaar en plant een zacht kusje in de rode haren. Hij voelt zijn wangen warm worden en hij hoop dat ze niet zo rood zien als hij vreest. Wat bezielde hem om dat te doen? Wat zou Reki nu van hem denken?
Maar al zijn twijfels verdwijnen als sneeuw voor de zon wanneer Reki zijn hoofd opheft en hem met een schattige rode blos op zijn wangen aankijkt. Langa kan er niet meer onderuit. Hij is er zeker van dat zijn wangen net zo rood zien als die van Reki en zijn hart slaat even over. Langa laat zijn hoofd een beetje zakken tot hun voorhoofden elkaar bijna raken. Hij voelt Reki’s warme adem tegen zijn gezicht en zijn blik glijdt naar zijn lippen. Ze zijn een beetje droog en hij wil niets anders dan ze vochtiger maken door de zijn eigen lippen erop te drukken. Maar iets houdt hem tegen. Twijfels. Onzekerheden.
Reki brengt zijn gezicht nog wat dichter naar het zijne waardoor hun lippen nog maar een centimeter van elkaar verwijderd zijn, wanneer ze plots onderbroken worden door een luid geritsel en gedempte stemmen. Ze springen geschrokken uit elkaar op zoek naar de oorzaak van het geluid en ze zien een kleine jongen met kattenoren op de kap van zijn trui uit de struiken achter hen rollen.
“Miya?” Vraagt Reki verbaasd.
“Waarom duwde je me?” Roept de kleinere jongen verontwaardigd, terwijl hij Reki totaal negeert.
“Ik heb je helemaal niet geduwd,” werpt een grotere man tegen alsof ze twee kibbelende kinderen zijn.
“Shadow?” Waarom zitten ze in de bosjes achter hen? Zijn ze hen aan het bespieden? Vertrouwen ze Langa niet om het terug goed te maken met Reki?
“Geweldig, nu hebben jullie onze verstopplek verraden,” berispt een man met groen haar sarcastisch.
“Joe?” Is iedereen hier?
“Even voor de duidelijkheid, ik heb hier niets mee te maken,” een man met roze paardenstaart houdt zich wat afzijdig, maar het is duidelijk dat hij er wel iets mee te maken heeft.
“Cherry?!” Roepen Reki en Langa allebei verbaasd uit.
“Wat doen jullie hier in godsnaam in de bosjes?” Roept Reki uit met een rode blos over zijn hele gezicht. Ze zijn op heterdaad betrapt, maar Langa kan niet anders dan zijn schattige blos bewonderen die doortrekt tot in de puntjes van zijn oren.
“We wilden gewoon zeker zijn dat Langa het terug goed ging maken maar dat is blijkbaar wel goed gelukt zo te zien,” zegt Joe met een knipoog, waardoor Reki zijn gezicht in zijn handen verbergt.
“Jullie zijn verschrikkelijk,” zijn stem is gedempt door zijn handen, maar iedereen verstaat toch nog steeds wat hij zegt en er golft gelach door de groep.
“Ik wil hier niet langer blijven rondhangen, dus ik ga naar huis. En jullie zouden hetzelfde moeten doen.” Cherry Blossom laat zijn blik wat langer hangen op de drie tieners in hun gezelschap alsof hij een bezorgde moeder is.
“Ja, mam,” zegt Miya met rollende ogen en deze keer is het Cherry’s beurt om te blozen van schaamte.
Een na een nemen ze afscheid en gaan ze naar huis tot Langa opnieuw alleen is met Reki. “Wedden dat ze zich opnieuw in een struik hebben verstopt,” zegt Reki sceptisch, maar een vlugge blik door hun omgeving vertelt hun dat hun vrienden deze keer echt naar huis zijn gegaan. Reki en Langa beginnen dus ook aan hun wandeling naar huis.
Reki blijft twijfelend staan op het kruispunt waar ze afscheid moeten nemen om naar hun eigen huis te gaan. Langa merkt dit en neemt zijn hand in de zijne in geeft een zacht kneepje. “Is er iets?” vraagt hij voorzichtig.
“Ik wil niet gaan slapen, om terug in dezelfde nachtmerrie te vallen.” Het valt Langa terug op hoe moe zijn vriend eruitziet. De wallen onder zijn ogen zijn enkel zichtbaar onder de lichten van de straatlantarens. Hij begrijpt heel goed hoe Reki zich nu voelt. Hij wil even min terug naar diezelfde nachtmerrie gaan om die twee onbekende mensen dichter en dichter bij hun dood te zien komen.
“Je mag wel bij mij blijven slapen, als je wil, zodat we elkaar gezelschap kunnen houden als de nachtmerrie terugkomt.” De woorden zijn uit zijn mond voor hij er echt over kan nadenken. Maar nog voor hij er spijt van kan krijgen, lichten Reki’s ogen terug op met hun gewoonlijke sprankeling. Zijn hart slaat een keer over en hij heeft ongelofelijk spijt dat ze onderbroken werden bij hun bijna-kus eerder die avond. Hij zou er alles voor over hebben om zijn lippen op de zijne te voelen. Hij zou er alles voor over hebben om te weten of Reki hetzelfde voelt voor hem als hij voor hem voelt. Maar tegelijkertijd is hij zo bang voor het antwoord.
“Dat is een geweldig idee.” Reki’s opgewekte antwoord haalt hem terug uit zijn gedachtestroom. “Ik zal mijn moeder een bericht sturen om haar op de hoogte te brengen.” Hij haalt meteen zijn telefoon uit zijn zak om de daad bij het woord te voegen.
***
Ash Lynx
1983 – New York
Wanneer hij terug wakker wordt begint hij bijna wanhopig plannen te maken om eindelijk af te rekenen met Dino Golzine. Het moet gedaan zijn, hij heeft veel te veel mensen pijn gedaan die hem dierbaar zijn. Hij heeft Eiji pijn gedaan; Eiji…
Ash probeert hem uit zijn hoofd te zetten, maar het lukt hem niet. Wat is er met hem aan de hand. Hij was altijd zo goed in zijn gevoelens afschermen en uitschakelen. Hij was altijd zo goed in zich afzijdig houden, maar Eiji is anders. Eiji heeft op een of andere manier een weg naar zijn donker, verdord hart gevonden en het opnieuw laten opbloeien. Hij verlangt ernaar om naar hem toe te gaan, hij wil weten of hij oké is. Hij moet weten of hij oké is, maar hij kan niet… Hij kan niet, want hij kan Eiji niet meer in zijn problemen betrekken, hij kan hem niet langer in gevaar brengen.
De plannen zijn gemaakt en hij is met Blanca onderweg naar hun locatie om het plan in uitvoering te brengen. Het is ijzig stil in de auto, maar Ash heeft geen energie om aan smal talk te doen. Het verkeer gaat langzaam vooruit en hij vraagt zich af waar al deze mensen op een avond als deze naartoe gaan. “Weet je, je zou hem moeten bezoeken voor je je helemaal afzondert van hem.” Blanca doorbreekt de stilte, maar Ash antwoordt niet. Hij probeert nog steeds zijn gedachten van Eiji af te houden en een gesprek over hem starten helpt daar niet bij.
“Je zult je beter voelen als je ziet dat het goed gaat met hem, en na alles wat jullie samen hebben doorstaan, denk je niet dat hij het verdient dat je op zijn minst afscheid neemt.” Ash had bijna gewenst dat hij met de trein was gegaan in plaats van met Blanca in de auto te zitten, maar dan zou hij alleen de onschuldige mensen in de trein meer in gevaar brengen. Er zijn al genoeg onschuldige levens gevallen. Het moet stoppen en hij zal er zelf een eind aan brengen. Blanca stop de auto vlak bij het ziekenhuis en Ash kijkt hem aan. “Ga hem bezoeken, ga afscheid nemen.”
“Wat heeft het voor zin. Hij mag niet meer betrokken raken in mijn problemen.” Hij verdient zoveel beter. Hij laat die laatste woorden onuitgesproken, maar ze hangen zo dicht in de lucht dat het bijna verstikkend wordt in de auto.
Hij blijft nog enkele minuten zitten, maar Blanca is al even koppig als hem en uiteindelijk stapt hij toch uit de auto. Zijn verlangen om Eiji te zien wordt te groot, zijn verlangen om te zien of Eiji de schotwonde overleefd heeft wordt ondragelijk. Hij vervloekt zichzelf in stilte; natuurlijk heeft hij het overleefd. Hij moet het overleven, hij moet… Hoe is hij in godsnaam zo gehecht geraakt aan een Japanse jongen die nog maar enkele weken kent? Hoe is hij zo gehecht geraakt aan een Eiji, die twee jaar ouder is dan hem en toch zo onschuldig. Hij heeft zo’n drang om hem te beschermen en toch was hij het die Ash een veilig gevoel geeft zoals hij zich niet eens meer kan herinneren. Toch was hij het die hem opzij duwde en zelf geraakt werd door de kogel.
Ash verlangt naar hem, hij verlangt naar de veiligheid die Eiji hem geeft, maar nu kunnen ze niet meer samen zijn. Hij kan Eiji niet meer in zijn problemen betrekken, hij moet er een einde aan maken. Voor het eerst in zijn leven vraagt hij zich af of er een andere manier is, of er een manier is waarbij hij bij Eiji kon blijven zonder dat hij gevaar zou moeten lopen voor Ash. Hij vindt geen antwoord terwijl hij door de verlaten gangen van het ziekenhuis wandelt.
***
Eiji ligt stil in zijn ziekenhuisbed, er zijn allerlei buisjes aan hem verbonden en een machine piept zachtjes maar regelmatig. Zijn huid is bleek, maar hij lijkt vredig. Dit is zoals hij hoort te zijn: vredig, onschuldig, weg van al het gevaar van New York. Eiji moet naar huis gaan, hij hoort niet in al het geweld in Amerika, hij moet terug naar Japan, waar hij veilig is. Een traan stroomt over Ash’ wang en hij veegt die verrast weg. Ash Lynx huilt niet om anderen, hij huilt zelfs amper om zichzelf. Hij huilt niet om anderen omdat hij zich niet aan anderen hecht. En toch lopen de tranen over zijn wangen als hij naar Eiji kijkt en weet dat dit de laatste keer zal zijn dat hij hem zal zien.
“Sa-yo-na-ra” Vaarwel. Hij herinnert zich nog hoe Eiji dat woord die avond zo duidelijk had uitgesproken zodat hij het kon nazeggen, diezelfde avond dat hij neergeschoten werd, diezelfde avond dat Ash eindelijk besefte dat Eiji hier niet thuishoort. Hij wist dat altijd al, hij wilde het gewoon niet toegeven. Hij draait zich om en wandelt uit de kamer. Hij moet hier weg, hij heeft een opdracht uit te voeren. Hij moet afrekenen met Dino, voor hij nog meer onschuldige mensen kan pijn doen. Hij moet hier een einde aan maken. Hij moet…
“Ash…” Een zachte stem haalt hem uit zijn gedachten en hij draait zich vliegensvlug om. Daar staat Eiji te wankelen op zijn benen in zijn ziekenhuiskleed. Ash sluit zijn ogen om de hallucinatie weg te jagen. “Ash...” Zijn ogen vliegen opnieuw open in verrassing. Eiji komt dichterbij, wankelend op zijn benen, hij moet duidelijk moeite doen om rechtop te blijven staan.
“Eiji!” Ash’ benen komen in beweging zonder dat hij het door heeft. Hij rent naar Eiji zijn hand uitgestrekt naar hem. Zijn gedachten zijn leeg, alleen Eiji is daar. Eiji. Eiji. Eiji! Er komen mensen aan in de hal en Eiji’s hand zakt weg. Hij is zo dichtbij, zo dichtbij…
Hij hoort de voetstappen die door de gangen galmen, versnellen en hij ziet aan Eiji’s ogen dat hij het ook hoort. “Ga!” Eiji’s stem klinkt hees en dik van emotie. Hij wil dat Ash weggaat omdat hij weet dat ze allebei in de problemen komen als Ash betrokken raakt met Eiji’s verwonding, maar Ash negeert hem. Hij valt in zijn armen. De verrassing is duidelijk leesbaar op zijn gezicht, maar Ash is niet van plan om hem ooit nog te laten gaan. Tranen stromen over hun beide wangen, maar hij weet dat ze bij elkaar horen, een onzichtbare kracht trok hen terug bij elkaar en hij vecht er niet tegen, want diep vanbinnen wil hij niet anders dan in Eiji’s armen zijn.
***
Ash zit in een donkere kamer waar hij ondervraagt wordt door een chagrijnige oude detective. Hij is blij dat zijn handen niet geboeid zijn, maar al zijn wapens zijn afgenomen en hij weet nu al dat hij die nooit meer terug zal zien. Ze beloven altijd dat hij ze terugkrijgt na de ondervraging, maar dat gebeurt nooit.
“Wat is er gebeurt de avond dat Eiji neergeschoten was.”
“Je lijkt wel mijn moeder.” Zucht Ash tussen zijn tanden.
“Wat was dat?”
“Niets” Ash weet zeker dat de detective hem wel gehoord heeft, maar dat hij gewoon te weinig energie heeft om erop te reageren. “Eiji verbleef bij mij en hij leerde me enkele woordjes Japans die avond.”
Ash beantwoordt braaf alle vragen met de occasionele leugen om zichzelf, zijn bende en Eiji te beschermen. Hij wil gewoon dat dit zo snel mogelijk over is. Zijn hele plan om Dino uit te schakelen is al lang om zeep geholpen, maar dat wil niet zeggen dat hij hem zomaar laat gaan. Hij moet een nieuw plan maken, hij moet hier weg voor het te laat is. Wat als Dino nog iemand pijn doet die hem dierbaar is. Wat als hij Eiji vindt en hem iets aandoet. Wat als…
***
“Waarom liep je niet weg?” Vraagt Eiji vanuit zijn ziekenhuisbed. Ash antwoord niet, te diep in gedachten verzonken. “Nu zit je in nog grotere problemen door mij.”
“Ik weet het niet Eiji, je trok me gewoon naar je toe. Het gebeurde gewoon automatisch en ik kon er niets tegen doen.” Ash zucht vanuit het raamkozijn waar hij zit met opgetrokken benen.
“Ik trok je helemaal niet naar me toe Ash. Hoe graag ik ook bij je ben, ik wilde dat je wegging zodat je niet betrokken zou raken met mijn verwonding.” Eiji klinkt bezorgt, bijna zoals zijn moeder zou klinken als ze hier nog was.
“Je trok me niet naar je toe, maar toch trok je me naar je toe.” Zijn ogen beginnen te prikken en hij doet zijn best om de tranen binnen te houden.
“Ik kan niet volgen Ash, wat bedoel je daar nu mee. Wat je zegt is niet logisch.”
“Weet je nog de dag dat we elkaar voor de eerste keer ontmoeten?”
“Levendig, maar ik weet nog steeds niet waar je naartoe wilt met je verhaal Ash.” De verwarring is duidelijk te horen in Eiji stem.
“Je vroeg me of je mijn geweer eens mocht vasthouden, omdat je er nog nooit een gezien had.”
“Wel, ja, geweren zijn verboden in Japan.”
“Misschien moeten we echt samen naar daar gaan.” Ash kijkt dromerig naar buiten en deze keer vraagt Eiji niets, alsof hij weet hoe Ash zich voelt. “Weet je, sinds die dag of voor die die dag of eigenlijk nooit heb ik iemand ontmoet zoals jij.” Zo onschuldig, zo puur, zo vriendelijk, zo vrijgevig, zo goed. Het blijft onuitgesproken in de lucht hangen.
***
Na enkele dagen mag Eiji eindelijk naar huis en Ash wandelt naast hem door de gangen van het ziekenhuis, terwijl hij zijn arm klaar houdt om Eiji op te vangen als hij zou vallen. “Ik kan best wandelen, Ash, je moet niet zo voorzichtig doen.” Ash is blij om de lach in de stem van de andere te horen, maar hij kan niet stoppen met zich zorgen maken.
“Ik wil gewoon niet dat je opnieuw gewond geraakt.”
“Ik weet het.” Eiji’s stem is zacht en hij ontspant zich een beetje. Hoe kon een persoon hem zo veilig laten voelen? Hoe kon Eiji in zijn leven komen en de muur die hij zorgvuldig had opgebouwd, omvergooien alsof het een stapel bouwblokken was? Hoe kon hij zo aanhankelijk worden van één persoon?
Ash is zo diep in gedachten verzonken dat hij de losse kabel die door het midden van de gang loopt, niet gezien had. Zijn voet blijft steken en hij struikelt, maar twee warme armen houden hem recht. Hij kijkt recht in Eiji’s warme ogen. Hij was klaar geweest om de gewonde op te vangen bij de minste struikeling, maar uiteindelijk is het Eiji die Ash opvangt omdat hij struikelt over een stomme kabel. Wat is er in godsnaam met hem aan de hand?
Ash springt recht en wandelt zo snel mogelijk door in de hoop dat niemand anders dat gezien had. “Laten we gaan!” Zijn wangen worden rood van schaamte. “Ik kan niet geloven dat dat net gebeurd is.” zegt hij tegen zichzelf, terwijl Eiji vrolijk lacht achter hem. Maar hij heeft toch maar zijn favoriete persoon aan het lachen gemaakt en hij kan niet anders dan genieten van het engelen geluid.
Ze gaan naar buiten uit het ziekenhuis en wandelen in een aangename stilte naar huis. De wolken worden donkerder en donkerder en na enkele minuten valt de eerste druppel op Ash’ neus en daarna nog een op zijn schouder en op zijn wang. Het duurt niet lang voor de wolken helemaal openbreken en de regen in lichte stromen valt. Hij blijft staan en richt zijn gezicht met zijn ogen dicht naar de donkere hemel. Hij voelt elke druppel die hem raakt en van hem afstroomt. Het lijkt zijn zorgen weg te wassen en voor de eerste keer in een heel lange tijd is zijn hoofd leeg, helemaal leeg.
Plots voelt hij een zachte, maar koude hand in de zijne. Hij opent zijn ogen en ziet Eiji naast hem staan met een zachte glimlach op zijn gezicht. Ash trekt hem dichterbij in een knuffel. Ze zijn beide doorweekt, maar dat kan hem niet schelen. Ze zijn samen, dat is wat telt.
“Je kent me zo goed, maar er is nog zo veel dat je niet weet, dat ik niet wil dat je weet.” Fluistert Ash zachtjes.
“Ik weet het, en toch wil ik meer over je weten.” Antwoordt Eiji al even zacht terug. “Ik wil bij je zijn. Ik wil een deel van je leven zijn. Ik wil alles over je weten.”
“Ik kan je zeggen om weg te gaan, om terug naar Japan te gaan, maar je bent te koppig omdat te doen.” Ash verstevigt zijn grip in tegenstelling tot zijn woorden. Hij wil niet dat Eiji weggaat, ook al is dat het beste.
“Nee, ik beloof dat ik bij je zal blijven, voor altijd.” Eiji verbergt zijn gezicht in zijn nek en Ash plant een vluchtig kusje in zijn zwarte haren. Hij heeft zijn zielsverwant gevonden en hij gaat hem beschermen met zijn leven.
Na hun knuffel wandelen ze in stilte verder, hun handen nog steeds met elkaar vervlochten. De maan staat helder aan de hemel in de schemering en de regen is bijna opgehouden. Ze zijn bijna bij hun locatie, wanneer Ash plotseling een rilling over zijn rug krijgt. Hij heeft er een heel slecht gevoel bij en hij vraagt zich af of ze niet beter een andere route hadden genomen langs de grote wegen in plaats van door afgelegen steegjes. Hij kijkt om zich heen en voelt Eiji in zijn hand knijpen. Hij heeft zijn ongemak opgevangen en hij probeert duidelijkheid te vinden over wat er precies aan de hand was. Ash probeert zich te ontspannen en wandelt door, Eiji met zich meetrekkend. Hij hoopt uit de grond van zijn hart dat zijn gevoel verkeerd is, maar hij kan het niet van zich afschudden.
Een paar snelle voetstappen lopen voorbij achter hen en Ash en Eiji draaien zich allebei om, op hun hoede. “Heb je dat gehoord?” Vraagt Eiji, maar hij verwacht geen antwoord, ze weten allebei dat ze die voetstappen gehoord hebben.
Ze horen opnieuw voetstappen achter hen aan de andere kant en nog voor ze zich goed en wel kunnen omdraaien lijken de voetstappen van opzij te komen. Ash verscherpt zijn zintuigen, maar de geluiden en voetstappen lijken van overal te komen en hij kan niet bepalen hoeveel mensen er zijn. Ash wil naar zijn geweer in zijn zak grijpen, maar die was afgenomen in het ziekenhuis. Hij gaat rug aan rug staan met Eiji, hun handen nog steeds met elkaar vervlochten terwijl ze de duisternis aanstaren.
Langzaam komen zwarte figuren naar voor uit de schaduwen. Ze zijn zwaargewapend met een geweer dat op het duo gericht is en Ash kan duidelijk verschillende dolken op hun lichamen verstopt zitten. Ze komen langs alle kanten en Ash gedachten draaien op volle toeren om Eiji hier veilig weg te krijgen. Ze zijn zwaar in de minderheid, hij kan niet om hulp roepen zonder hun aanvallers te alarmeren en ze zijn ongewapend.
De paniek grijpt hem bij de keel wanneer hij beseft dat er geen weg uit is. Hij ziet geen uitweg. Hij ziet niets. Hij voelt Eiji’s hand harder in de zijne knijpen, maar hij weet niet of hij hem probeert te kalmeren of dat hij zelf steun zoekt. Voor de zoveelste keer vraagt Ash zich af wat er zou gebeurd zijn als hij Eiji niet was gaan bezoeken, wat als hij weggelopen zou zijn in plaats van bij hem te blijven, wat als hij Eiji nooit in zijn problemen zou betrokken had, wat als hij Eiji nooit ontmoet had. Hij vraagt zich af wat als… maar hij kan geen antwoord vinden, hij kan zich geen leven voorstellen zonder zijn Eiji. Hij knijpt terug. Ze zullen samenblijven, wat er ook gebeurt.
Een van de aanvallers zet de aanval in richting Eiji, maar Ash draait zich vliegensvlug om, waardoor hij van plek wisselt met Eiji. Hij neemt de pols van de aanvaller en draait die op zijn rug, zodat hij het mes dat hij vasthoudt, gedwongen lost laat. Nu heeft tenminste ook een wapen en is de strijd toch een beetje eerlijker. Maar nog steeds heeft hij geen idee hoe hij Eiji in zijn eentje zal beschermen tegen meer dan tien aanvallers.
Hij probeert zijn gedachten op nul te zetten en zwaait gericht naar elke aanvaller die te dicht bijkomt. Er ligger er al enkele op de grond, maar er blijven er steeds nieuwe bijkomen. Hij heeft versterking nodig, maar hij krijgt geen tijd om die ook maar op te roepen en niemand is dicht genoeg in de buurt om hem te horen schreeuwen.
“A-Ash” Eiji! Hij draait zich om en ziet dat een van de aanvallers Eiji tegen de muur houdt met een mes op zijn keel, terwijl er nog een tweede ook zijn mes op hem richt voor het dramatisch effect. Hij staat op het punt om opnieuw aan te vallen, maar de eerste aanvaller duwt het mes nog iets verder tegen Eiji’s nek, waardoor er een dun streepje bloed zichtbaar wordt.
“Laat hem gaan.” Spreekt Ash door zijn tanden, helemaal verstijft. “Hij heeft hier niets mee te maken. Hij is niet van hier.” Hij weet dat dit hopeloos is, maar hij moet proberen. Hij brengt zijn handen naar zijn mond om zijn fluitsignaal te geven in de hoop dat er iemand in de buurt is, dat er iemand Eiji kan komen redden uit deze hel. Maar nog voor hij halverwege is, houdt een van de aanvallers hem tegen.
“Ik zou stil blijven als ik jou was, anders zal deze mooie jongen hier er lelijk van af komen.” Ash blijft opnieuw bevroren staan. Hij zit in de val. Hij zit hopeloos in de val en hij weet niet hoe hij eruit moet komen. Normaal zou hij zich er gewoon uitvechten, maar nu staat Eiji’s leven op het spel.
“A-Ash, g-ga,” opnieuw zegt Eiji hem om weg te gaan, om hem achter te laten, maar hij kan het niet.
“Eiji.” Hoe zou hij ooit zijn andere helft kunnen achterlaten in een situatie als deze.
“Zo mooi en romantisch.” Zegt de aanvaller die eerder sprak pesterig en Ash geeft hem een dodelijke blik. “Als hij dan toch zo veel voor je betekent, bewijs het dan.” Hij steekt zijn eigen mes uit naar Ash als een uitnodiging. “Elimineer jezelf en we laten hem gaan.”
“Ash, nee,” Eiji protesteert, maar hij wordt ruw terug tegen de muur geduwd. Terwijl hij het mes aanneemt denkt hij terug aan de eerste keer dat hij ditzelfde scenario voorgeschoteld kreeg. Hij twijfelde geen moment om zichzelf neer te schieten in ruil voor Eiji’s vrijheid en ook nu twijfelt hij niet.
Hij duwt het mes met een vlotte beweging in zijn buik en de pijn explodeert in heel zijn lichaam. Hij wankelt op zijn benen en zijn zicht wordt wazig. Hij hoort verschillende stemmen maar hij kan niet uitmaken wat ze zeggen of tegen wie ze spreken. De pijn is bijna ondragelijk en hij kan goed genoeg met wapens omgaan om te weten dat hij vitale organen heeft geraakt. Hij zal sterven, maar Eiji is veilig.
“Ash! Ash! Damn! Ben je gek? Waarom heb je dat gedaan?” Eiji’s warme handen houden voorzichtig zijn hoofd omhoog en hij merkt voor het eerst dat hij op de grond zit, met Eiji naast hem. Ze hebben hun belofte gehouden, ze hebben hem vrijgelaten. “Waarom Ash?” Er glinsteren tranen in zijn ogen. Ash probeert te antwoorden, maar zijn gedachten zijn mistig en zijn tong werkt niet mee.
Plots worden Eiji’s ogen groot en hij spuugt een mond vol bloed uit. Nee. Zijn ademhaling wordt moeizamer en zijn blik zak naar beneden naar zijn eigen buik. Nee. Bloed. Overal bloed. Nee. Eiji.
“Als je dan toch zo graag samen wilt zijn, ga samen naar de hel.” De woorden van de aanvaller klinken ver weg, Ash probeert nog recht te staan om hen achterna te gaan, maar zijn benen houden zijn gewicht niet meer. De aanvallers laten hen achter in de steeg, wetende dat ze allebei zouden sterven.
Ash probeert terug te kruipen naar Eiji, maar zijn spieren begeven het nu echt en hij valt plat op zijn gezicht. “Eiji…” Zijn stem is hees en er sijpelt bloed langs zijn mondhoek op de grond. Hij kijkt naar zijn zielsverwant die pijn lijdt naast hem. Ze gaan sterven. Dat weet hij. Hij was niet genoeg. Hij was niet goed genoeg om Eiji te beschermen. Hij was niet goed genoeg. Hij was nooit goed genoeg.
“Ash…” Hij hoort Eiji’s stem amper, maar hij houdt er wanhopig aan vast voor hij die mooie stem nooit meer zal horen, voor hij nooit meer Japanse woordjes van hem zal leren, voor hij nooit meer hem zal horen lachen, voor hij nooit meer zijn ogen zal zien twinkelen van plezier, voor hij alles zal kwijt geraken. “Je bent genoeg.”
“Eiji, het spijt me.” Zoute tranen prikken in zijn ogen. Hij heeft nooit graag geleefd. Hij had dan ook nooit gedacht dat hij zo bang zou zijn om te sterven, dat hij zou bang zou zijn om Eiji nooit meer te zien.
“Ash, dit was mijn eigen keuze.” Hij glimlacht zachtjes zoals hij altijd deed om hem gerust te stellen. Hij neemt voorzichtig zijn hand in de zijne en knijpt er zachtjes in met zijn laatste krachten. Hij glimlacht wanneer hij een al even zacht kneepje terugkrijgt. Ze zijn samen en ze zullen altijd samen zijn.
Hij hoort opnieuw stemmen. Hij kan nog steeds niet uitmaken van wie ze zijn en wat ze zeggen. Zou er hulp zijn gekomen? Hij kan hopen, maar hij weet dat het hopeloos is. Hij weet dat ze zullen sterven, maar hij is samen met zijn zielsverwant en hij had nooit gedacht dat hij die ooit zelfs zou vinden. Langzaam maar zeker wordt de wereld donkerder en donkerder toch hij uiteindelijk helemaal zwart wordt en zijn laatste bewustzijn uit hem ontsnapt.
“Mijn ziel is altijd bij je…”
***
Langa Hasagawa
2000 – Okinawa
Langa wordt opnieuw zwetend wakker in zijn bed en kan nog net een schreeuw onderdrukken. De twee onbekende, maar vertrouwde mensen in zijn nachtmerrie zijn brutaal vermoord en het bloederige beeld blijft nog op zijn netvlies gebrand staan. Hij probeert zijn ademhaling terug onder controle te krijgen in de hoop Reki niet wakker te maken.
“Is alles oké?” Dat opzet was blijkbaar al gefaald. Reki zat rechtop met zijn knieën opgetrokken op de futon die ze eerder die avond voor hem op de grond hadden gelegd.
“Nachtmerrie,” Langa probeert zachtjes te praten, maar zijn adem piept en klinkt nog steeds gejaagd, “heb ik je wakker gemaakt?”
Reki schudt zijn hoofd heen en weer. “Nee, ik was al wakker, geen zorgen.” Hij zag er inderdaad niet uit alsof hij net wakker geworden was. Hij zag er moe uit, maar niet slaperig. Hij zag er vermoeid uit, maar zijn ogen waren wijd open.
Langa haalt opnieuw diep, maar beverig adem en gaat rechtop zitten op zijn bed. “Ze zijn vermoord,” zegt hij zachtjes en hij merkt dat er een traan over zijn wang loopt, “ze zijn gewoon vermoord zonder dat ze iets gedaan hadden.” Reki kruipt bij hem op het bed en houdt zijn armen open voor een knuffel en Langa accepteert het gretig. Ze houden de knuffel enkele ogenblikken vast en het aard Langa terug. Het helpt hem om de nachtmerrie terug te onderscheiden van de werkelijkheid.
Na een tijdje lossen ze de knuffel een beetje en Reki gaat tegen de muur zitten terwijl Langa op zijn buik, half op hem gaat liggen. Hij verbergt zijn hoofd in de buik van de roodharige en geniet hoe die met zijn eigen langere lokken speelt.
Na een lange, maar aangename stilte neemt Langa eindelijk terug het woord: “Had jij ook de nachtmerrie?” Reki bromde enkel als antwoord. “Zijn ze…” hij slikt even, “zijn ze bij jou ook vermoord?” Hij weet niet waarom hij dit wil weten of waarom het uitmaakt, maar de vraag stroomt toch uit zijn mond.
“Nee, ik heb mezelf wakker gemaakt voor het kon gebeuren.”
Het duurt even voor Langa beseft wat Reki net gezegd heeft. “Wat?” Hij kijk verrast naar hem op, “je hebt jezelf wakker gemaakt? Hoe?”
“Ik had ook veel last van nachtmerries als kind, vaak ook dezelfde die elke keer terugkwamen. Uiteindelijk wist ik wat er ging gebeuren en ik heb mezelf geleerd om wakker te worden voor het ergste deel van de nachtmerrie.” Hij zegt het alsof dat het normaalste van de wereld is. “Wanneer ik ouder werd kon ik het ook doen bij nachtmerries die ik nog nooit gehad had. Wanneer ik voelde dat het de verkeerde richting uit ging, kon ik tegen mezelf zeggen dat ik wakker moest worden en meestal werkte dat ook.” Hij neemt even pauze en Langa is er blij mee, hij heeft die nodig om te beseffen wat Reki net gezegd heeft. Maar uiteindelijk gaat hij terug verder: “Bij deze nachtmerrie heeft het tientallen nachten geduurd voor ik eindelijk mezelf kon wakker maken. Het was alsof iets ervoor zorgde dat ik de hele nachtmerrie moest doorstaan, alsof het belangrijk is dat ik ze helemaal doormaak. Ze voelt veel anders dan de nachtmerries die ik als kind kreeg.”
“Ze voelt inderdaad heel anders dan andere nachtmerries, alsof ze ons iets willen vertellen of zo,” bedenkt Langa, “maar het is wel handig en cool dat je jezelf kan wakker maken. Daar heb ik nog nooit van gehoord.” Hij kijkt op naar Reki en geniet van de lichte blos op zijn wangen die zichtbaar is in het weinige licht in de kamer.
“Het nadeel is wel dat ik meestal een tijdje niet meer kan slapen, omdat ik dan terugval in die nachtmerrie.”
“Hoe lang ben je al wakker?”
“Ongeveer een uur.”
“Een uur?” Hij kijkt Reki verrast aan. “Waarom heb je me niet wakker gemaakt?” Hij doet zijn best om het de bezorgdheid in zijn stem te verdoezelen.
“Omdat ik je slaap niet wilde verstoren,” zegt Reki zacht terwijl nog steeds door de lichtblauwe haren kamt.
“Denk je dat je nu nog een beetje kan slapen?”
“Ik denk het wel. Ik zal terug op mijn futon gaan liggen.” Reki komt langzaam recht terwijl hij dit zegt, maar hij wordt tegengehouden door Langa die nog steeds half op hem ligt.
“Je mag ook hier blijven liggen als je wilt.” Langa hoopt nu dat Reki zijn eigen blos niet kan zien, maar hij twijfelt eraan. Het blijft even stil en zijn hart bonkt in zijn keel.
“Zou je dat graag willen?” Reki’s stem is zo zacht dat hij het bijna mist, maar hij knikt in antwoord. “Mag ik dan wel gaan neerliggen?” Zijn stem is plagend en Langa gaat snel wat rechtop zitten zodat Reki met zijn hoofd op het kussen kan gaan liggen. Hij twijfelt even, maar voorzichtig legt hij zijn hoofd op zijn borst zodat hij opnieuw half op de roodharige ligt. Hij luistert naar zijn hartslag en valt bijna in slaap wanneer hij opnieuw een zachte hand in zijn haren voelt, waardoor zijn eigen hartslag weer de hoogte in schiet.
“Slaap zacht,” zegt hij zacht, bang om de magie van het moment te doorbreken.
“Slaap zacht.” Klinkt het al even zachte antwoord en dit voelt veel meer als een mooie droom dan de nachtmerrie, die hen blijft achtervolgen.
***
Het is lang geleden dat Langa nog zo vredig en rustig geslapen heeft, met de constante aanwezigheid van de geheimzinnige nachtmerrie. Hij was die ochtend wakker geworden zonder nare herinneringen in de armen van Reki, die nog vredig lag te snurken. Hij kijkt op naar de roodharige terwijl de zon die langs het gordijn op zijn gezicht schijnt en hem een soort hemelse gloed geeft. Langzaam knipperen zijn amberkleurige ogen open en heft zijn hand op om ze te beschermen tegen de zon die nu recht in zijn ogen schijnt. Na een tijdje vinden ze zijn eigen helderblauwe ogen en hij ziet zijn wangen net zo rood kleuren als zijn haar. Zijn eigen wangen zijn ook warm en hij weet dat hij zelf ook rood ziet.
“Het ontbijt is klaar,” roept Langa’s moeder vanaf beneden. Langa kruipt haastig achteruit, bang dat hij een grens heeft overschrijden, maar hij houdt zijn ogen als betoverd vast. Ze glimmen in de zon en zijn hart bonst als een gek in zijn keel.
“Jongens, zijn jullie wakker?” Hij hoort de voetstappen van zijn moeder de trap opkomen.
“Ja we komen eraan,” roept hij haar toe, in de hoop dat dat haar gerust stelt en dat ze terug naar beneden zou gaan. Hij blijft even luisteren en hij hoort de voetstappen terug verder weggaan. “Ik kan je de badkamer wijzen als je je graag wat opfrist,” zegt hij tegen Reki, die zwijgzaam knikt. Hij leidt hem naar de badkamer, kleed zichzelf vlug om in zijn kamer en gaat naar beneden voor het ontbijt.
Zijn moeder staat in de keuken een eitje te bakken zoals ze vroeger in Canada altijd deden op zondag ochtend, maar Langa’s aandacht werd getrokken door iets anders. Op de eettafel ligt een crèmekleurige enveloppe met een Amerikaanse zegel. Van wie zou die zijn? Hij kan zich toch niet herinneren dat een van zijn vrienden naar Amerika verhuisd was. Misschien was de brief voor zijn moeder, maar ook daar kon hij geen duidelijke verklaring voor vinden.
Hij loopt naar de tafel en neemt de enveloppe op om de geadresseerde te lezen: ‘Ash Lynx’. Hij kent niemand met die naam, maar toch geeft die hem een vreemd vertrouwd gevoel, net zoals de nachtmerries die hem al nachtenlang wakker houden. ‘Ash Lynx’. Hij heeft deze naam nog nooit gehoord en toch voelt het alsof hij de persoon aan wie deze brief geadresseerd is kent. ‘Ash Lynx’.
“Wat is dat?” vraagt Reki nieuwsgierig wanneer hij de kamer komt binnenlopen, zijn haar nog vochtig van onder de douche.
Langa weet niet goed hoe hij moet antwoorden, maar zijn moeder doet het voor hem: “Oh, die brief. Ik was van plan hem weg te gooien. Ik ben al heel de buurt af gegaan, maar niemand kent de geadresseerde.” Ze zucht diep, terwijl ze verder gaat met de tafel dekken voor het ontbijt.
“Ik heb het gevoel dat ik zou moeten weten wie het is,” zegt Reki zacht terwijl naar de enveloppe staart als in trance, “het voelt alsof die persoon belangrijk is voor mij, maar ik heb geen idee wie het is.”
“Ik ook,” bevestigd Langa, “het voelt een beetje zoals de nachtmerries.” Reki knikt heftig en kijkt hem met grote ogen aan, alsof hij hem wil aanmoedigen om de brief te openen.
Zonder een woord te zeggen opent hij voorzichtig de brief en begint luidop te lezen:
“Beste Ash
Ash –
Ik ben doodongerust omdat ik niet heb kunnen zien dat het goed met je gaat.
Je zei dat we in verschillende werelden leven. Maar is dat waar? We hebben verschillende kleuren huid en ogen. We zijn in verschillende landen geboren. Maar we zijn vrienden. Is dat niet wat telt?
Ik ben echt blij dat ik naar Amerika ben gekomen. Ik heb veel mensen ontmoet. En vooral heb ik jou ontmoet.
Je vroeg me keer op keer of je me bang maakte. Maar ik ben nooit bang voor je geweest, niet één keer. Sterker nog, jij bent veel meer gekwetst dan ik. Ik kon er niets aan doen dat ik me zo voelde. Grappig, hè?
Je bent veel slimmer, groter en sterker dan ik. Maar ik had altijd het gevoel dat ik je moest beschermen. Ik vraag me af waar ik je tegen wilde beschermen. Ik wilde je beschermen tegen het lot. Het lot dat je probeert mee te nemen, verder en verder drijvend.
Je vertelde me ooit over een luipaard waarover je in een boek had gelezen. Hoe je geloofde dat dat luipaard wist dat het niet meer terug kon. En ik zei dat je geen luipaard was, dat je je lot kon veranderen.
Je bent niet alleen. Ik sta aan je zijde.”
“Mijn ziel is altijd bij je.”
Langa kijkt Reki verbaast aan terwijl zijn vriend de laatste woorden van de brief perfect citeert vanaf de overkant van de tafel. Hij had gehoopt dat de woorden van de brief bekend zouden klinken of in de hele puzzel van hun nachtmerries zou passen, maar hij herkende niets.
Reki heeft de woorden blijkbaar wel herkent en het maakt Langa verward. Zijn hun nachtmerries dan toch niet verbonden met elkaar? Hebben ze dit helemaal verkeerd aangepakt? Wat is er aan de hand?
“Wie heeft dat geschreven?” vraagt Reki alsof hij bang is voor het antwoord.
“De brief is ondertekend door Eiji Okumura.” Antwoord Langa, een naam die hem, in tegenstelling tot de rest van de brief, wel bekend voorkomt.
Het duurt even voor Reki antwoord, maar uiteindelijk zegt hij toch: “ik heb die brief geschreven.”
“Je bedoelt dat het een grap is?” Vraagt Langa, terwijl hij zijn irritatie over die mogelijkheid zo goed mogelijk probeert te verbergen.
“Nee,” antwoord Reki resoluut, “ik kan me niet herinneren dat ik die brief ooit geschreven heb, maar ik weet gewoon dat ik het gedaan heb.” Hij ondersteunt zijn hoofd met handen terwijl zijn ellebogen op de tafel staan, alsof hij heel hard nadenkt over een moeilijke puzzel. “En ik herken de namen Ash en Eiji, het zijn de namen van de mensen in de nachtmerrie.” Hij zegt het alsof het een zekerheid is, maar hij kijkt Langa onzeker aan om bevestiging te zoeken.
Plots schiet er een idee in Langa’s hoofd en om een of andere rede, weet hij dat hij dicht bij de waarheid van dit hele mysterie zit: “Heb je er ooit over nagedacht of er iets zou bestaan als reïncarnatie?”
Reki kijkt hem geschrokken aan: “Je bedoelt dat we verder leven in een ander lichaam wanneer we sterven?” Langa knikt bevestigend. “Denk je dat we reïncarnaties zijn van deze vreemde Ash en Eiji personages?”
“Het zou kunnen,” antwoord Langa en hij voelt in zijn hart dat hij het bij het juiste eind heeft.
“Nee,” Reki staat abrupt recht van zijn stoel, “dat kan niet.” Hij draait zich om en loopt naar buiten. Langa blijft even verdwaasd aan de keukentafel zitten, voor hij ook haastig opspringt om hem achterna te gaan. Hij zou hem niet nog eens laten gaan.
Het lukt hem om Reki in te halen na een paar blokken en hij grijpt zijn arm om hem tegen te houden. Ze hijgen allebei van hun spurt en het duurt even voor ze iets kunnen zeggen.
“Wat is er…” Langa stopt wanneer hij een traan over Reki’s wang ziet lopen. Heel langzaam brengt hij zijn hand naar zijn gezicht om hem weg te vegen. “Reki?” Vraagt hij zacht, “wat is er aan de hand?”
“Vind je het idee dat we een reïncarnatie zijn van andere mensen niet eng?” vraagt de roodharige terwijl hij de nieuwe tranen die over zijn gezicht stromen wegveegt met zijn mouw. “Het idee dat heel ons leven een leugen is? Het idee dat we het leven van iemand anders geleefd hebben? Zijn die Ash en Eiji dan niet nog steeds aanwezig in ons? Hoeveel van wat wij kennen is ons leven en hoeveel is dat van hen?”
Langa trekt Reki in een stevige knuffel om hem te kalmeren. “Ik weet het niet, maar ik ben er zeker van dat we nog steeds onze eigen persoon zijn. Jij bent nog steeds Reki Kyan en ik ben nog steeds Langa Hasagawa.”
“Ben je zeker?” Reki’s stem is gedempt tegen zijn lichaam.
“Honderd procent,” zegt Langa en hij weet dat hij gelijk heeft. Opnieuw drukt hij een kusje in Reki’s rode haren voor hij zichzelf kan stoppen en hij voelt Reki lichtjes verstijven in zijn armen. “Sorry,” zegt Langa terwijl hij zijn vriend voorzichtig loslaat, “dat had ik niet moeten doen.”
“Nee, nee, het is oké,” zegt Reki haastig, “ik vond het wel leuk.” Een lichte blos kleur zijn wangen en Langa voelt de vlinders in zijn buik rondfladderen.
“Mag ik je zoenen?” Vraagt hij terwijl hij zijn gezicht wat dichter bij dat van Reki brengt. De roodharige kijkt hem aan met een expressie op zijn gezicht die Langa onmogelijk kan lezen. “Sorry.” Hij trekt zich een beetje terug, bang dat hij een grens heeft overschreden, maar hij wordt onderbroken door Reki’s lippen op de zijne.
Zijn ogen worden groot van verbazing, maar al snel versmelt hij helemaal in de zoen. Hij verstrengeld zijn hand in de rode lokken en brengt hen nog dichter bij elkaar als dat nog mogelijk was. Zijn andere hand vervlecht zich met die van Reki naast hun lichaam, als een anker in het moment. Reki’s lippen zagen er droog uit met enkele kleine wondjes van zijn lipbijten, maar in de zoen voelt Langa hoe zacht en teder ze wel niet zijn.
Hij heeft zijn zielsverwant gevonden. Nee, hij heeft zijn zielsverwant teruggevonden. Hij wist niet dat hij hem al die jaren gemist had, maar nu hij hem eindelijk terug heeft, weet hij niet meer hoe hij ooit zonder hem geleefd heeft. Zijn Eiji die zijn leven voor hem op het spel zette. Zijn Reki die hem opnieuw van het leven deed genieten door hem te leren skateboarden. Zijn lichtje in de duisternis.
Buitenadem trekken ze zich terug uit de kus en ze kijken elkaar aan. Ze huilen allebei, maar hij weet zeker dat het tranen van geluk zijn.
“Reki.”
“Langa.” Hij houdt ervan hoe zijn naam uit Reki’s mond komt.
“Eiji.” Het is een gewaagde zet, gezien Reki’s eerdere reactie, maar de zoen heeft iets in hen verandert.
“Ash.” Een vlaag van opluchting stroomt door zijn lichaam.
“Ik heb je gevonden.” Al wist hij niet dat hij hem zocht.
“Ja, je hebt me gevonden.”
“Ook als ik wegga, zal je nog steeds…?”
“Mijn ziel zal altijd bij je zijn.”
“Maar ik laat je nooit meer gaan.”
“Nooit meer.”
