Work Text:
In de weken na de verwoestende storm die de Badenfelder ten gronde richtte, hopeloos vastgelopen in de haven van Gothab, grootste stad van Thule, was er weinig tijd voor rust. Het gevaar was geweken. Het was een verschrikkelijk lot, om het mensen onmogelijk te maken terug te keren naar hun thuisland – naar ouders, partners en kinderen. Om hen van elkaar te scheiden en te verspreiden over het immense land Thule, zodat zij, apart van elkaar, de taal konden leren, zich zouden kunnen aanpassen, op zouden kunnen gaan in de cultuur en bevolking van dit voor hen nog onbekende land.
Kristiaan, zoon van de Konega, werd door haar uitvoerig betrokken bij besprekingen met de Vrouwenraad om te bepalen welke Badeners waar terecht zouden komen. Waar zij het minste gevaar op zouden leveren, en de grootste kans hadden op een vredig leven. Thura, de jonge kapitein die zo essentieel was geweest bij het uitschakelen van het vijandige oorlogsschip, had zich gestort op de praktische zaken: het regelen van vervoer, het zicht houden op de meer gevaarlijke Badeners zodat zij geen misstanden zouden begaan, het uitzetten van boeien rond de vastgelopen Badenfelder zodat andere schepen wisten haar te vermijden.
Het leek tijden geleden dat zij samen hadden kunnen zijn. Maar op een milde avond werd het gemis Kristiaan zo groot dat hij besloot haar te moeten zien – zijn hart smachtte naar Thura.
Hij vond haar ver boven Gothab, op de hoogste heuvel die de stad overkeek, bij het tempeltje dat daar was geplaatst ter ere van Moeder Aarde. Er stond een verse vaas bloemen op de platte steen in het tempeltje, met daarop de woorden die een essentiële rol hadden gespeeld in het redden van Thule.
De kinderen van moeder aarde zullen haar beschermen.
Thura zat op een van de bankjes bij het tempeltje. Kristiaan ging naast haar zitten, in stilte. Seconden later legde Thura haar hoofd op zijn schouder, en hij nam haar hand in de zijne.
Voor een tijd zaten zij in stilte. Kristiaan was simpelweg gelukkig om eindelijk weer zo dicht bij haar te zijn. Hij liet het aan Thura om de stilte te verbreken – wat zij ook deed, uiteindelijk.
“Het betekent iets. De aankomst van de Badeners, hier in Gothab. Hun schip dat verroest in dezelfde Fjord waar de Yselânders ooit aankwamen, Helga-Dottir achter het roer.”
Thura zuchtte, uitkijkend over de haven, ver onder hen. “Ik ben blij dat de geschiedenis zich niet heeft herhaald.”
“Herhaald?” Zei Kristiaan zachtjes, een frons op zijn gezicht.
Op de een of andere wijze verbaasde het Thura niets, en ze glimlachte wrang.
“Dit was niet de eerste keer dat reizigers een haven in varen, komend uit een vreemd land met vreemde taal en gewoonten, sprekend van vriendschap. Jouw voormoeder slaagde waar de Badeners faalden: we spreken een mengeling van haar taal, we gedragen ons naar haar gewoonten.”
Kristiaan verschoot van kleur. “De Badeners wilden ons overheersen. Met geweld, waar nodig!”
“En Helga-Dottir heeft haar positie bereikt met doortastendheid, kennis en woorden, dat ontken ik niet. Voor zover ik kan inschatten was zij een fantastische, opzienbarende vrouw,” knikte Thura, “maar goed- of kwaadschiks is zij erin geslaagd heerseres van Thule te worden, en haar geslacht is nog steeds degene met de macht. Haar lijn wordt beschermd alsof het die van een fokstier is – dat zijn jouw woorden, niet de mijne. Alle vrouwen in Thule zijn gelijk, totdat de Konega-zoon zijn ega moet kiezen. Dan zijn alle Dottirs net belangrijker dan anderen, en is het ondenkbaar dat hij kiest voor een simpele vissersdochter van het oude volk. Die ongelijkheid voel niet jij alleen – Dottirs hebben in heel Thule een hoger aanzien, puur door de naam die zij dragen, ook al zijn er onder hen onwaardige vrouwen en mannen net zoals je die onder alle mensen vindt.”
Kristiaan opende zijn mond om te reageren, bedacht zich, en sloot hem weer met een zucht. Zijn blik dwaalde terug naar Gothab. Hij leek in gedachten verzonken – Thura verwoordde zijn eigen gedachten, maar haar conclusies had hij zelf niet eerder bereikt.
“Zie je haar echt zo? Als overzeese heerseres?” Vroeg hij, voorzichtig, na een lange stilte, voorzichtig terugkijkend naar zijn aanstaande.
Thura haalde haar schouders op. “Sommigen vinden van wel. Ik heb haar niet gekend, ik kan dat oordeel niet vellen. Wat ik weet is dat er al eeuwen – millennia – een samenleving bestond hier, nog toen het land bedenkt was met gletsjers en sneeuw, maar dat alle lof voor het ontstaan van Thule aan haar toekomt.”
“Zij verenigde de mensen. Zij liet hen elkaar helpen, en bracht kennis over genezing, landbouw, het houden van dieren. Ze leerde goed omgaan met moeder Aarde.” Zij Kristiaan, maar zijn toon was zacht, bijna wijfelend.
Het deed Thura zacht lachen. “Je kent je lesjes nog goed, Kristiaan. Ik had niet anders verwacht.”
Kristiaan zuchtte. De woorden van Thura lieten hem twijfelen, maakten hem onzeker. Er waren zo veel verhalen en liederen over liefde die voelde als een rots in de branding, als zekere grond om op te staan. Maar Thura was de felle stormwind die een boot doet dansen op de golven. Ze haalde hem van zijn balans, met een frisse blik en scherpe woorden. Het was waarom hij van haar hield, maar het bracht ook ongemak met zich mee – en niet alleen op dit vlak.
“De havenmeesteres vertelde me dat je van plan bent zelf de Badeners mee te nemen naar het noorden.”
“Dat klopt.” Knikte Thura, “Ik wil zien dat ze goed terecht komen. Het zal een klein passagiersschip zijn, geschikt voor het reizen langs de kust – niet over de volle zee. Maar ik vrees alsnog dat de Badeners samen zullen proberen een schip over te nemen en over te steken naar hun land. In de havens zullen zij verder op weg worden geholpen, maar het is belangrijk de Badeners te verspreiden.”
“Het is al laat in het seizoen. Is het niet beter te reizen over land? De passen zijn nu nog open.” En dan kan jij hier blijven, in Gothab. Veilig en dicht bij me. Dat dacht Kristiaan, al durfde hij het niet zo openlijk te zeggen.
“Jij bent een kind van moeder Aarde, Kristiaan. Niemand kan dat ontkennen. Maar ik moet de zee op, de wind in mijn haren voelen, de golven die ons heen en weer slingeren. Ik ben van het oude volk, mijn moeder heeft dat altijd gezegd. Onze moeder was nooit de aarde, verscholen onder gruis en ijs, maar de zee; vol leven, vol gevaar. Een liefhebbende en razende moeder, wiens wezens zijn gevormd uit haar afgehakte vingerkootjes – ja, echt waar! Wat zie je opeens bleek, Christiaan. Ik zal je maar niet vertellen hoe het zo kwam te zijn.”
“Ik ben een Sjamana, ik kan het best hebben!” riep Kristiaan uit, geschoffeerd, maar toen voegde hij zachtjes toe, “Maar in de wildernis met de Badeners heb ik genoeg van bloedvergieten gezien en gehoord.”
Daar moest Thura hartelijk om lachen, en ze wreef over Kristiaans rug.
“Je bent zeker harder geworden. Wij allemaal, op een bepaalde manier. Ik heb het je al eens verteld: de Thulenen zijn soms te gemakzuchtig. Het is goed om onaangenaam verrast te worden.”
Kristiaan was nog steeds stil, hij dacht over haar eerdere opmerking. “De moeder in de zee. Dat over haar vingers heb ik nooit gehoord, maar andere verhalen wel, geloof ik.”
Thura knikte, “Misschien leerde je over haar onder een andere naam; ze heeft er altijd velen gehad. Maar deze is bijzonder gewelddadig, zoals het leven ooit altijd was, en Thulenen houden er niet van kinderen te laten schrikken. Haar vader probeerde haar te doden – de reden verschilt, maar de uitkomst is altijd hetzelfde. Hij gooide haar overboord, de ijskoude zee in, en hakte haar vingers af toen zij zich wanhopig aan de boot vastklampte. Sedna verdween onder de golven, haar vingerkootjes werden haar kinderen, de wezens van de zee. Als de mensen haar beledigen, boos of verdrietig maken, houdt zij haar kinderen bij zich, en ooit betekende dat honger en wanhoop voor hele dorpen.”
“Het is een bruut verhaal.” Gaf Kristiaan toe. Thura knikte weer.
“Het leven is bruut. Al het leven – ook wij doden dieren om te leven, al hebben we nu gelukkig meer bronnen van voedsel dan ooit. Ik zou bar ongelukkig worden van elke dag vis.”
Kristiaan werd stil. Hij wreef met zijn duim over Thura’s knokkels – haar ruwe hand in de zijne. Soms leken ze zo verschillend. Het deed hem denken aan zijn eigen ouders – beiden koppig, maar elk met andere wensen en verplichtingen. Het had zijn vader ertoe gedreven te verdwijnen, jarenlang. Nu was hij teruggekeerd, en samen leken zijn ouders plotseling gelukkiger dan ooit.
Konden hij en Thura ooit zo gelukkig zijn? Eens was zijn moeder’s zegen zijn enige wens geweest, toen had het hem niets meer uitgemaakt: zijn keuze was gemaakt. Nu dat de rust begon terug te keren kwam ook zijn onzekerheid, de angst om Thura te verliezen.
Thura draaide haar hoofd en keek naar hem op. De aanblik van haar knappe, ronde gezicht deed zijn hart overslaan. Ze strekte haar hand uit naar zijn wang en leunde dichter bij om hem te kussen. Kristiaan’s twijfels verdwenen als sneeuw voor de zon – hij hield haar stevig vast, en kon zich geen gelukkiger moment voorstellen dan dit.
“Wanneer ik terug ben,” zij Thura zachtjes, “Neem ik je mee. Dan stel ik je voor aan mijn vader en broer. Ik zal gaan vissen in de haven, zoals ik deed toen we elkaar ontmoetten. En dan vertellen we je elk verhaal dat je moet kennen, elke geschiedenis van het oude Thule. Ze zullen dol op je zijn.”
En Kristiaan glimlachte en kuste haar weer, wetende dat hij voor Thura’s liefde elke poolwind zou trotseren.
