Work Text:
“Hier ben je dus,” klonk een zeer geërgerde stem. “Weet je wel niet hoe lang ik naar je op zoek was? En serieus? Nederland?” De stem behoorde tot Crowley, die met zware en vermoeide stappen op Azirafaal af liep. De engel was momenteel op een terrasje aan het zitten na het verrichten van een aantal goede wonderen. Als een beloninkje voor hemzelf. Hij had net de laatste hap genomen van zijn verse stroopwafel toen zijn aardsvijand, lees: ‘beste vriend’, aan kwam banjeren alsof de wereld verging.
“Ik zei toch al dat ik even weg zal zijn om wonderen te doen? En ook hallo naar jou, Crowley,” zei Azirafaal na hij zijn hap doorslikte. Hij rolde met zijn ogen, Crowley was altijd zo dramatisch.
“Ja hoi,” begroette Crowley droog terug. “Je zei nooit waarheen. En wie gaat er nou naar, naar…“ Crowley was even stil terwijl hij in zijn geheugen groef naar de topografie van Nederland. Hij is maar zelden in de Nederlanden geweest in het verleden. “Naar Drenthe?!” Zo ver als hij wist was er hier niks te doen. Misschien wandelen ofzo, maar geen wonderen of verleidingen. Wacht, jawel… Hunebedden vandaliseren.
Azirafaal is zelf ook niet zo welbekend met de lage landen. Hij en Crowley hebben sinds de middeleeuwen vooral hun tijd doorgebracht in het Verenigd Koninkrijk, met uitzondering van de Renaissance, waarbij zowel de engel als demon niet snel genoeg naar Italië konden om de viertiende eeuw van Brittannië achter hen te laten.
In ieder geval was het nu 1949, een paar jaar na het einde van de tweede wereldoorlog, en er was eigenlijk niet veel merkwaardigs gaande in het land. Nederland was nu vooral druk bezig met wederopbouw, maar dat gold hetzelfde voor alle andere landen die in de oorlog geraakt waren. Crowley begreep dus niet waarom Azirafaal door de Hemel hierheen was gestuurd.
“Nou ja…” Begon Azirafaal verlegen, “ik was eigenlijk in Den Haag voor een wonder wat betreft de economie. De arme mensen zijn hier immers zo hard geraakt in de oorlog…”
“En nu ben je in Drenthe, wat aan de andere kant van het land is. Je bent toch niet op een vakantie aan het gaan?” Crowley deed zijn armen over elkaar. Niet dat hij problemen heeft met vakantie, het tegendeel zelfs. Grote fan van vakantie, Crowley. Hij is alleen een beetje zuur dat Azirafaal niet eerst aan hem heeft gevraagd of hij mee wou of niet, of waar hij überhaupt heenging. Niet dat Crowley nou zo graag naar Nederland wil, het is net Engeland maar dan platter en het weer is net zo kut, maar met Azirafaal is alles wel leuk.
“Kijk, iemand vertelde mij hoe mooi Drenthe was en ik dacht, ik ben er nou toch – in Nederland, dus – dus waarom ook niet?” legde Azirafaal uit. Hij keek Crowley inspecterend aan.
“Je voelt je nu toch niet buitengesloten?” vroeg hij met een hint van bezorgdheid. De laatste keer dat ze elkaar zagen was die nacht in Londen, toen ze samen gingen drinken na een succesvolle Bullet-Catch in de West End, en alles wat daaraan vooraf ging… Crowley zou net als Azirafaal gevoeld moeten hebben dat hun bond hechter is geworden. Azirafaal voelde het zeker in deze afgelopen jaren dat ze elkaar niet gezien hebben, hij verlangde om Crowley weer te zien en spreken.
Crowley staarde de engel verraden aan. Kon hij echt zó slecht zijn gevoelens verbergen voor zijn beste vriend? Hij gaf de duizenden jaren dat ze elkaar konden de schuld.
Azirafaal keek hem veelbetekenend aan en zuchtte lieflijk, “Och Crowley, wat ben jij soms toch ook zo’n sufferd…”
Crowley maakte onverstaanbare geluiden en draaide zijn hoofd weg, zijn handen strak in zijn broekzakken. Azirafaal stond op na zijn thee op te hebben gedronken en streek zijn jas glad met zijn handen.
“O ja, je zei dat je mij zocht? Was er iets ergs gebeurt?” Of miste je mij gewoon? Dat laatste vroeg Azirafaal maar niet. Het is beter om geen aannames te maken. Ook al miste hij de demon wel best erg, dat betekent niet dat Crowley hem ook miste.
“Umm… nou…” Aarzelde Crowley, en klonk ineens heel verlegen. “Het was nogal hectisch de laatste jaren, dus… ik dacht ik kijk even hoe het gaat…” hij dwaalde een beetje af.
“Maar ik was nergens te vinden?”
“Nee. Dat dus.” Crowley voelde zich een beetje stom nu dat hij dit zo vertelde. Ze hebben elkaar wel vaker langer niet gezien dan acht jaar.
Crowley had het zelf ook druk de afgelopen jaren na de oorlog. Hij dacht wel vaak aan Azirafaal, maar contact was niet per se nodig, en hij wist dat de engel ook veel werk had op andere locaties (die hij dus niet vertelde). Maanden geleden had hij niet zo veel meer te doen en dacht Crowley contact op te nemen met Azirafaal om samen bij te kletsen, maar zijn boekenwinkel was gesloten en hij zelf nergens te bekennen. Het laatste bericht wat hij van hem had was dat hij wonderen rond Europa ging verrichten en dat het wel een tijd kan duren. Dat was het. Maar het was al vier jaar sinds dat bericht. Plotselinge paniek sloeg in op de demon met de mogelijkheid dat er wat met Azirafaal was gebeurd in de tijd dat ze niet in hetzelfde land waren. Crowley ging meteen op zoek, helse verleidingstaken konden wat hem betrof naar de hemel gaan.
Het leek erop dat hoe langer Crowley Azirafaal kon, hoe minder lang hij bij hem weg kon zijn. In deze wereld, dit universum, is Azirafaal een constante, de enige persoon die hem begrijpt, waar Crowley oprecht mee kan praten. Om dat te verliezen…
“…Als er niks ergs is,” begon Azirafaal enthousiast, “wil je dan met mij de provincie gaan bekijken?” vroeg hij hoopvol.
Crowley keek nog eens om zich heen, naar de natuurrijke omgeving in dit dorp. Het was hier inderdaad mooier dan de platte, lege weilanden van Friesland en Holland. Hij draaide terug naar Azirafaal en glimlachte blij.
“Natuurlijk wil ik dat.”
